Parochiecluster Ubach over Worms

Lezingen - 7 april 2025

Spring naar hoofdtekst

Navigatie­kalender

<april 2025>
wkmadiwodovrzazo
14 123456
1578910111213
1614151617181920
1721222324252627
18282930    
        

Navigatie

Jaar C

Maandag in de vijfde week van de veertigdagentijd

Eerste lezing

Dan. 13, 1-9.15-17.19-30.33-62 of 13, 41c-62 Ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.
Uit de Profeet Daniël
(Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette. Hij had een vrouw, Susanna genaamd, de dochter van Chelkia; zij was buitengewoon mooi en vroom. Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed. Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag; bij hem kwamen de Joden samen, omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was. Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld; van hen gold wat de Heer gezegd heeft: De goddeloosheid is in Babel begonnen, bij de oudsten die rechters waren en voorgaven het volk te besturen. Ze waren voortdurend in het huis van Joakim, waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde. Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man. De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade, als zij zich ging verpozen, en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op. Zij verdraaiden de stem van hun geweten, wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging van de rechtvaardige straffen. Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen, ging Susanna vergezeld van twee dienstmeisjes volgens haar gewoonte weer eens het park in. En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen; er was immers niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen en haar begluurden. Susanna zei dus tot de dienstmeisjes: „Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.” Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe en zeiden: „Susanna, de poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet; wij branden van begeerte naar je wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons, anders zullen we tegen jou getuigen, dat er een jongeman bij je was en dat je daarom de dienstmeisjes hadt weggestuurd.” Susanna zuchtte diep en sprak: „Van alle kanten word ik bedreigd want doe ik het, dan wacht mij de dood; doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen. Maar liever val ik onschuldig in uw handen dan te zondigen tegen de Heer.” Daarop begon Susanna luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in en een van hen liep naar de poort van het park en opende die. Toen degenen die in huis waren het geschreeuw in het park hoorden, kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien wat Susanna overkomen was. Toen de oudsten hun verhaal deden, geraakten de bedienden in grote verlegenheid, want nog nooit was zoiets van Susanna verteld. Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen de oudsten er toe over om hun goddeloos plan uit te voeren en Susanna ter dood te brengen. Voor het verzamelde volk bevalen ze „Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia, de vrouw van Joakim.” Men liet haar halen. Zij verscheen, vergezeld van haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. Haar verwanten en allen die haar zagen weenden. Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden, blikte Susanna schreiend op naar de hemel, want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer. Toen verklaarden de oudsten: „Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg. Daarop kwam er een jonge man naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen. Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten, snelden we naar hen toe en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden wij niet te pakken krijgen, omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en zich uit de voeten maakte; maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was; maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.” De vergadering geloofde hen, gezien zij oudsten van het volk waren en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood.)
Nadat Susanna ter dood veroordeeld was riep zij met luide stem: „Eeuwige God, die het verborgene kent en alles reeds weet, voordat het gebeurt, Gij weet dat deze oudsten een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.” De Heer verhoorde haar gebed. Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in. Deze jongeman riep met luide stem: „Ik ben onschuldig aan haar bloed!” Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg: „Wat bedoel je daarmee?” Hij ging in hun midden staan en zei: „Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël? Veroordelen jullie een dochter van Israël zonder nader onderzoek en kennis van zaken? Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.” Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug. Daar zeiden de oudsten tot Daniël: „Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee, want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.” Toen zei Daniël tot hen: „Zonder ze van elkaar af, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.” Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei: „Je bent in boosheid vergrijsd, maar nu krijg je de straf voor al de zonden die je bedreven hebt door onrechtvaardige vonnissen te vellen onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken in strijd met het gebod van de Heer Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat, niet ter dood. Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: „Onder een mastiekboom.” Daniël hernam: „Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen je in tweeën te splijten.” Nadat Daniël deze had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tot hem: „Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht. Zo handelden jullie met de dochters van Israël en uit vrees waren die jullie ter wille, maar een dochter van Juda heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid. Welnu: Onder wat voor een boom heb je ze betrapt?” Hij antwoordde: „Onder een steeneik.” Daniël hernam „Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat reeds klaar om je met het zwaard doormidden te houwen en jullie beiden te verdelgen.” Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt. En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun boosheid hun naaste hadden beraamd ze werden ter dood gebracht. Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.
Woord van de Heer. allen: Wij danken God.

Antwoordpsalm

Ps. 23 (22), 1-3a, 3b-4, 5, 6
R: Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.
De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort; Hij laat mij weiden op groene velden. Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten Hij geeft mij weer frisse moed.
Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden omwille van zijn Naam. Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt. Uw stok en uw herderstaf geven mij moed en vertrouwen.
Gij nodigt mij aan uw tafel tot ergernis van mijn bestrijders. Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol.
Voorspoed en zegen verlaten mij nooit elke dag van mijn leven. Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.

Evangelie

Joh. 8, 1-11 Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.
De Heer zij met u. allen: En met uw geest. Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes allen: Lof zij U, Christus.
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg. ’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: „Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?” Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen zij bij Hem aanhielden met vragen richtte Hij zich op en zei tot hen: „Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.” Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw die daar was blijven staan. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: „Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?” Zij antwoordde: „Niemand, Heer.” Toen zei Jezus tot haar: „Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.”
Woord van de Heer. allen: Wij danken God.

Bron: Tiltenberg Getijdengebed

Terug naar boven