Parochiecluster Ubach over Worms

Lezingen - 2 november 2020

Spring naar hoofdtekst

Navigatie­kalender

<november 2020>
wkmadiwodovrzazo
44      1
452345678
469101112131415
4716171819202122
4823242526272829
4930      

Alter­natief

De website Dagelijks Evangelie biedt een groot aantal Bijbelteksten van vandaag, het verleden en tot ongeveer twee maanden in de toekomst.

Lezingen - 2 november 2020 » Navigatie

Allerzielen (Jaar A)

1e lezing

Uit de profeet Jesaja

In die dagen zal de Heer der hemelse machten voor alle volkeren
op deze berg een gastmaal aanrichten.
Op deze berg zal Hij de sluier verscheuren
die over de volkeren ligt,
en de doek die uitgespreid ligt over alle naties.
De Heer zal voor immer de dood vernietigen;
Hij zal de tranen van alle gezichten afwissen,
en de schande van zijn volk
wegnemen van heel het aardoppervlak.
Want zo heeft de Heer besloten.
Op die dag zal men zeggen:
"Dat is onze God op wie wij hoopten.
Hij heeft ons gered.
Dit is de Heer op wie wij ons vertrouwen hadden gesteld:
laat ons jubelen en ons verheugen
in de redding die Hij ons bracht."

Jes. 25,6a.7-9

2e lezing

Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes

Ik, Johannes, zag
een nieuwe hemel en een nieuwe aarde;
de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen
en de zee bestond niet meer.
En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem,
van God uit de hemel neerdalen,
gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid.
Toen hoorde ik een machtige stem die riep van de troon:
"Zie hier Gods woning onder de mensen!
Hij zal bij hen wonen.
Zij zullen zijn volk zijn,
en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn.
En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen,
en de dood zal niet meer zijn;
geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn,
want al het oude is voorbij."
En Hij die op de troon is gezeten, sprak:
"Zie, Ik maak alles nieuw.
Wie dorst heeft zal Ik te drinken geven
uit de bron van het water des levens, om niet,
Ik zal zijn God zijn en hij mijn kind."

Apok. 21,1-5a.6b-7

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Het was omtrent het zesde uur;
er viel duisternis over heel de streek
tot aan het negende uur toe
doordat de zon geen licht meer gaf.
Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor.
Toen riep Jezus met luide stem:
"Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest."
Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de Geest.

Nu was er een zekere Jozef,
lid van de Hoge Raad,
een welmenend en rechtschapen man.
Deze ging naar Pilatus
en vroeg om het lichaam van Jezus.
Na het van het kruis te hebben genomen,
wikkelde hij het in een lijkwade.
Vervolgens legde hij het in een graf,
dat in steen was uitgehouwen
en waarin nog nooit iemand was neergelegd.

(1
Op de eerste dag van de week echter
gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar het graf
met welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden.
Zij vonden de steen weggerold van het graf,
gingen er binnen
maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet.
Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken,
stonden er plotseling twee mannen voor hen
in een stralend wit kleed.
Toen zij van schrik bevangen,
het hoofd naar de grond bogen,
vroegen de mannen haar:
"Waarom zoekt ge de levende bij de doden?
Hij is niet hier,
Hij is verrezen."

Lc. 23,44-46.50.52.53.24,1-6a of andere lezingen ontleend aan het Lectionarium voor de Liturgie van de overledenen

Allerzielen (Jaar A)

1e lezing

Uit het boek van de Wijsheid

De rechtvaardige, al sterft hij voor zijn tijd,
zal in rust zijn.
Want het aanzien van de ouderdom
bestaat niet in de lange uur,
en wordt niet gemeten naar het getal der jaren,
maar inzicht is voor de mensen de ware wijsheid,
en een vlekkeloos leven de ware ouderdom.
Omdat hij bij God behagen had gevonden,
werd hij bemind en weggenomen uit het midden van de zondaars
onder wie hij leefde.
Hij werd weggerukt
opdat het kwaad zijn inzicht niet zou bederven,
noch boze toeleg zijn ziel verleiden.
Want de betovering van et slechte verduistert het goede,
en de maalstroom van de begeerte ondermijnt de argeloze geest.
In korte tijd tot rijpheid gekomen,
had de rechtvaardige reeds een vol leven achter zich,
want zijn ziel vond behagen bij de Heer.
Daarom ging hij spoedig heen uit de slechte wereld.
De volken die het zagen en niet verstonden,
dachten er niet aan
dat de Heer aan zijn uitverkorenen
genade schenkt en barmhartigheid,
en dat Hij waakt over zijn geliefden.

Wijsh. 4,7-15

2e lezing

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica

Broeders en zusters,

Wij willen u niet in onwetendheid laten
over het lot van hen die ontslapen zijn;
gij moogt niet bedroefd zijn zoals de andere mensen
die geen hoop hebben.
Wij geloven immers dat Jezus gestorven is
en weer opgestaan;
evenzo zal God hen die in Jezus zijn ontslapen,
levend met Hem meevoeren.
Zo zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer.
Troost elkander dan met deze woorden.

1 Tess. 4,13-14.17b-18

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bij zijn aankomst te Betanië bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
Betanië nu was dicht bij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet,
Maria echter bleef thuis.

Marta zei tot Jezus:
"Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven."
Jezus zei tot haar:
"Uw broer zal verrijzen."
Marta antwoordde:
"Ik weet dat hij zal verrijzen,
bij de verrijzenis op de laatste dag."
Jezus zei haar:
"Ik ben de verrijzenis en het leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?"
Zij zei tot Hem:
"Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon van God die in de wereld komt."

Joh. 11,17-27 of andere lezingen ontleend aan het Lectionarium voor de Liturgie van de overledenen

Allerzielen (Jaar A)

1e lezing

Uit het boek van de Wijsheid

De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand
en geen kwelling zal hen raken.
Voor het oog van de dwazen schenen zij te sterven
en hun heengaan werd als een ongeluk aangezien,
hun verwijdering ver van ons, als een ramp,
maar zij zijn in vrede.
Want ofschoon zij in het oog van de mensen
getuchtigd worden,
is er voor hen toch volle hoop op onsterfelijkheid.
Nadat zij een kleine tuchtiging hebben ondergaan,
zullen zij gróte weldaden ontvangen.
Want God heeft hen beproefd
en Hij heeft hen waardig bevonden.
Als goud in de smeltoven heeft Hij hen gekeurd,
als een brandoffer heeft Hij hen aanvaard.

Op het ogenblik van de vergelding zullen zij schitteren
als een lopend vuur in een rietveld,
zij zullen de volken oordelen
en heersen over de naties,
en de Heer zal voor altijd over hen koning zijn.

Zij die zich aan Hem hebben toevertrouwd,
zullen de waarheid vatten;
zijn getrouwen zullen in liefde bij Hem blijven,
want genade en goedheid
vallen zijn uitverkorenen ten deel.

Wijsh. 3,1-9

2e lezing

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome

Broeders en zusters,

Indien God vóór ons is,
wie zal dan tegen ons zijn?
Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard;
voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd.
En zou Hij ons na zulk een gave
ook niet al het andere schenken?
Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen?
God die rechtvaardigt?
Wie zal hen veroordelen?
Christus Jezus misschien die gestorven is,
meer nog, die is opgewekt
en die gezeten aan Gods rechterhand,
voor ons ten beste spreekt?
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
Verdrukking wellicht of nood,
vervolging, honger, naaktheid,
levensgevaar of het zwaard?
Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk
dank zij Hem die ons heeft liefgehad.
En ik ben ervan overtuigd
dat dood noch leven,
engelen noch heerschappijen,
heden noch toekomst,
geen krachten, hoogte noch diepte,
noch enig ander schepsel
bij machten is ons te scheiden van de liefde Gods,
die is in Christus Jezus onze Heer.

Rom. 8,31b-35.37-39

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Op de eerste dag van de week
waren er twee leerlingen op weg naar een dorp
dat Emmaüs heette,
en dat ruim elf kilometer van Jeruzalem lag.
Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.
Terwijl zij zo aan het praten waren
en van gedachten wisselden,
kwam Jezus zelf op hen toe
en Hij liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.

Hij vroeg hen:
"Wat is dat voor een gesprek
dat gij onderweg met elkaar voert?"
Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
Een van hen die Kleopas heette,
nam het woord en sprak tot Hem:
"Zijt gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem
dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?"
Hij vroeg hen:
"Wat dan?"
Zij antwoordden Hem:
"Dat met Jezus de Nazarener,
een man die profeet was,
machtig in daad en woord,
in het oog van God en van heel het volk;
hoe onze hogepriesters en overheidspersonen
Hem hebben overgeleverd
om Hem ter dood te laten veroordelen
en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen.
En wij leefden in de hoop
dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!
Maar met dit al is het reeds de derde dag
dat die dingen gebeurd zijn.
Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden
ons in de war gebracht;
zij waren in de vroegte naar het graf geweest
maar hadden zijn lichaam niet gevonden
een ze kwamen zeggen
dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad,
die verklaarden dat Hij weer leefde.
Daarop zijn enkelen van ons naar het graf gegaan
en zij bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden,
Maar Hem zagen ze niet."

Nu sprak Hij tot hen:
"O onverstandigen,
die zo traag van hart zijt
in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben!
Moest de Messias dat alles niet lijden
om zijn glorie binnen te gaan?"
Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten
wat in al de Schriften op Hem betrekking had.

Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen,
maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Zij drongen bij Hem aan:
"Blijf bij ons,
want het wordt al avond
en de dag loopt ten einde."
Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.
Terwijl Hij met hen aanlag, nam Hij brood,
sprak de zegen uit,
brak het en reikte het hun toe.
Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem.
maar Hij verdween uit hun gezicht.
Toen zeiden ze tot elkaar:
"Brandde ons hart niet in ons,
zoals Hij onderweg met ons sprak
en ons de Schriften ontsloot?"
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug.
Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen.
Deze verklaarden:
"De Heer is werkelijk verrezen,
Hij is aan Simon verschenen."
En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was
en hoe Hij door hen herkend werd
aan het breken van het brood.

Lc 24,13-35 of andere lezingen ontleend aan het Lectionarium voor de Liturgie van de overledenen

Bron: © Katholieke Bijbelstichting